zondag 27 februari 2011

() Verdrinken

.
Kunnen we alsjeblieft beeldend blijven en
onze longen boetseren tot eindeloze vijvers,
de adem ingehouden en de armen gespreid

tegen de stroming in
om al het water te vangen.

Het laken schuurt langs onze wangen,
we ruiken aan elkaars identiteit
maar we zijn onze papieren al lang verloren
toen we kozen voor een leven
als verzetstrijder.

Ik ben een bijl dat inhakt op
die laatste sporen in je gelaat
en pers het laatste restje
lucht uit je hoofd,
wij, de laatsten der dromenjagers

jagen onszelf in de dood.

Henri A.

zaterdag 26 februari 2011

() Slagveld

.
mijn lichaam plakt dna
van verloren liefdes
en maîtresses

speeksel, haren, zaden
verzamelde zoenoffers
van de minnares

sneuvelen het verleden
tot de dag dat ik me uitwas
en mezelf zal klonen tot
een andere versie van mezelf.

Henri A.

woensdag 23 februari 2011

() Nageboorte

.
Laten we grote woorden als
liefde en dood begraven,
eindeloos naar de zon staren
tot vlekken in de ogen.

Aan lange momenten geen
gebrek nu we in mekaars
schaduw verblijven en
letters schrijven in de aarde

tot onze namen op de grond
vallen zonder kleren aan
we in een andere droom worden
gelegd door twee zachte handen.

Henri A.

() Silence - Charlie Haden & Chet Baker

donderdag 17 februari 2011

() Ik ben omzwachteld door de natte lucht

.
Ik ben omzwachteld door natte lucht,
er is te weinig zuurstof in de regen,
te weinig om te overleven
er is niet meer genoeg

om handen en in de verzuurde benen
om uit de bocht te gaan.
De klappen van de zweep
drijven mijn laatste adem aan

en gieten salpeter in de longen,
overlevers vallen als druppels

op de grond en piepen
zoals d' ouden zongen.

Henri A.

zondag 13 februari 2011

() Over buideldieren, reptielen en andere bijzondere plaatsen

.
(Deze cyclus is geboren in Antwerpen Zuid)

[1]

We houden mekaar draaiende
in een moleculaire veranderlijkheid,
gapen als kleine kinderen met
de natte neuzen tegen het raam.

Als elk woord een kus zou zijn
schreef ik voor jou een heel verhaal
maar laat mij nu net de spil zijn
waar alles om draait.

En nu het lichaam pruttelt en knarst
de lippen het zwijgen wordt opgelegd,
kan ik me nog net bij mekaar houden
nu ik word ingehaald door de lichtsnelheid.


[2]

Toen ik uitgeperst op de wereld kwam
zaten er schaafwonden op mijn handen
en echode de pijn door de lange, kale gangen.

Van opstaan en weglopen was er toen nog
geen sprake, het was pas veel later dat
ik daar bedreven in werd.

Ik heb dammen afgebroken en steen voor
steen verlegd, al het water dat ik met twee
armen kon dragen heb ik opgestapeld
en in jouw wachtbekkens gelegd

tegen de opkomende schaarste.


[3]

Wat is de kortste weg naar het Zuid?
Langs daar, door de regen, langs niet
eerder betreden paden, tot aan de
Chat le Roi is het altijd rechtdoor.

En nu ik op het Zuid ben neergestreken
vraag ik me af of ik hier zou willen zijn
met een vrouw, om te praten tussen het
knabbelen van borrelnootjes.

Maar ik blijf hangen in het verlangen en
voor mij zie ik het voorbij reizende theater
met zijn clowns,trapezewevers, circusapen
en ze spreken een vreemde taal.

Ze leggen mijn doelen open en innig
omhelzen ze mekaar en de straat,
ze zijn hun eigen museum en hangen
hun laatste hoop aan de wallen onder
de ogen van de stad.


[4]

hoe ouder jij wordt hoe groter en omvangrijker
je bent, ook je mond groeit mee en vult zich
met woorden die ik al lang vergeten ben

we paren nog wat in onze eenzaamheid en scheren
nieuwe kapsels op onze blote hoofden die ons
vertellen over het afscheid dat nabij is en

waar we zelf nog niet in geloven omdat mannen,
mannen met baarden zijn en vrouwen, vrouwen
met tranen die zichzelf te rusten leggen.


[5]

Wij zijn vrolijke vrienden als we maar hard
genoeg geloven en ons verlossen van het
kwade dat de buitenwereld ons te bieden heeft.

We gieten onze dromen in een gezamenlijk
wereldbeeld en reizen er tegen beter weten in
mee rond de wereld.

En als het kampvuur zijn vlammen uitslaat,
te heet om elkaar nog te begrijpen, verbranden
we onze strijd en verstrooien we de assen
op de strooiweide.


[6]

Vandaag werd ik weer even
verliefd op jouw evenbeeld,
alsof er iemand een spiegel-
beeld voor me hield.

Dezelfde smalle rand rond
de jukbeenderen en dezelfde
haarlijn tot op twee smalle
schouders van karaat.

Dezelfde hoge laarzen en dezelfde
speelse blik in het gelaat die de wereld
stil doet staan in dezelfde milliseconde
dat het hart een tik over slaat.


[7]

Ik weet dat ik kan oogsten
als ik met veel bier en zonder
woorden als een schaduw van
de barkruk sla.

Waarna ik mezelf op raap
en de rook inadem van
alle gesprekken die me ontgaan
en als water van me afglijden.

Raap ik en sorteer wat rot en
rijp is, het is de tijd die ik
inhaleer en in zinnen snijdt,
tot er geen pit, geen schil,
geen spaander meer over blijft.


[8]

Hoe lang moet je samen zijn
om elkaar te begrijpen?
Tot in het treurende tranendal
of tot in de splijtende oneindigheid?
Tot aan de boomgrens
of tot ver daar boven,
waar geen mens ons nog vindt?
Of tot in de woorden die aan de pen likken
en waar jij de prinses bent en ik de prins
tot de laptop zwijgt en alles shift?


[9]

Wie hebben we nog te ontmoeten
met onze beste kleren aan,
de blik op scherp en alle lusten
verzameld rond de tafel.

Maar als gij niet spreekt
rest enkel nog het zwijgen,
het naar de hemel staren
en hopen dat daar het
licht uitgaat.

Wat doen we dan nog met elkaar,
behalve het zoeken naar verdwaalde
zinnen die al lang verloren gelopen zijn
voor we hier al aankwamen.

Henri A.

vrijdag 11 februari 2011

() Fisherman's call

.
Ik wil je de wereld in vier woorden vertellen,
dat de zee neemt en dat de zee geeft,
dat ik nog niet dood ben en dat iemand
nooit sterft als hij in herinneringen leeft.

Kijk, jij bent de vissersvrouw aan wal
die verhalen vertelt in een desolate kapel,
hoog op de trappen aan de branding
verworden verleden gesprekken gebed.

Ik leef, van de vissen uit de zee
die geen woorden nodig hebben om te leven,
die geen weet hebben van het zoute water
tot dat ze op het droge worden gelegd.

Henri A.

donderdag 10 februari 2011

() De marconist

.
Sommige avonden kan ik de leegte aanraken,
proef ik de randen van de eenzaamheid,
leg me in woorden van morse te slapen en
trek een stippellijn rond de contouren van je lijf.

Dromen doe ik dan met tussenpozen
zet punten achter flarden verleden,
schrijf een bekentenis in ontcijferbare symbolen
met signalen van korte en lange strepen.

Open de tijd met een zilveren sleutel
en sein me jouw Save Our Souls
niet in morse of met andere woorden
maar in je eigen, vertrouwde meisjescode.

Henri A.

dinsdag 8 februari 2011

() Het beminnen

.
Ook als ik niet bij je ben
om te praten,
praat ik,
dwars door je heen.

Ook als ik niet bij je ben
om te beminnen,
bemin ik,
wat er tussen ons ligt.

Al het water van de wereldzeeën,
bergen die hun paden open leggen
en azuurblauwe regens.

Zelfs als ik niet bij je ben,
ben ik nog niet alleen.

Henri A.

donderdag 3 februari 2011

() Is er nog liefde achter de maan?

.
Moeder, nu je dood bent kan ik jouw testament schrijven, niet in
sierletters maar met een purperen glimlach die zich te rusten legt
om mijn mond en praat in oude woorden.

Ik heb je dikwijls gezocht maar even veel keren liep ik verloren
of verstopte ik me achter een stoel of liep ik het huis uit
zonder te zeggen waar ik deze keer weer heen zou gaan.

Ik heb je niet vervuld, maar ik weet dat het goed was voor jou, hoe

we allemaal werden ingedeeld en ieder naar één van de vier wind-
richtingen trok, ook al heb ik me dikwijls naar het noorden gekeerd.

Is er nog liefde achter de maan? Dat heb ik je zo dikwijls willen vragen. En nu we allemaal bij je graf staan om je in de klei te begraven stuiteren mijn tranen als botsballen in het rond en vraag ik me af wie die blinde man is op het einde van de rij.

Henri A.

() Een verdediging van de anonimiteit - José Emilio Pacheco

.
Uitzonderlijk -voor één keer- een ‘gast’gedicht op deze blog, omdat het zo helder verwoordt wat ik niet verwoord krijg.
.
José Emilio Pacheco (Mexico-Stad, 1939) is een van de opmerkelijkste Mexicaanse dichters van zijn generatie. Pacheco is een geëngageerde dichter en stelt met zijn poëzie vaak onrecht aan de kaak. Bij Pacheco geen franjes, geen melancholische saus, geen filosofieën die het erge tot kunst verheffen. Hij is nadrukkelijk niet mooi, of het moet mooi zijn in de zin van treffend.

Het gedicht “Een verdediging van de anonimiteit” is een antwoord aan recensent George Moore, na de weigering van een interview. In deze “brief” geeft Pacheco aan Moore en bij uitbreiding aan iedereen, zijn visie en verhouding tot de poëzie weer.

Henri A.

() Een verdediging van de anonimiteit
(Brief aan George Moore over een geweigerd interview)

Ik weet niet waarom we schrijven, waarde George.
Ook vraag ik me af waarom we later
ook nog publiceren wat we schrijven.
We gooien zogezegd een fles in zee,
toch al vol flessenbrieven en rotzooi.
We zullen nooit weten
waar het tij hem aan land spoelt.
Waarschijnlijk trekken storm en zee
hem onherroepelijk naar het zand
van de fatale afgrond.

En toch draag ik dit masker
van drenkeling niet zonder zin.
Want op een zondag
bel je mij vanuit Estes Park in Colorado
dat je mijn flessenbrief gelezen hebt
(dwars door de zeeën: onze twee talen)
en dat je me wilt komen interviewen.
Hoe moet ik uitleggen dat ik nog nooit
een interview heb toegestaan,
dat ik gelezen wil worden maar niet ‘beroemd wil zijn’,
dat een tekst en niet de schrijver ertoe doet,
dat ik niet in het literaire circus wil draaien?

Daarna krijg ik een uitvoerig telegram
(dat een vermogen gekost moet hebben).
Ik kan er geen antwoord op geven, maar ook niet zwijgen.
Dan krijg ik het idee voor deze regels, die wel verzen zijn
maar geen verheven poëzie,
die bedoeling heb ik niet.
Nee, ik wil alleen, zoals de Ouden,
het vers als instrument gebruiken voor alles
(brief en verhaal, drama, geschiedenis, handboek voor de landbouw)
wat we tegenwoordig in proza zeggen.

Hier komt mijn niet gegeven antwoord:
ik heb niets aan mijn gedichten toe te voegen,
ik heb geen zin er commentaar op te geven,
heb me nooit bezorgd gemaakt om mijn ‘plaats in de historie’
(vroeg of laat lijden we allemaal schipbreuk).
Ik schijf en dat is alles. Maar een dichter geeft altijd de helft.
Poëzie is meer dan zwarte tekens op wit papier.
Het is de trefplaats
van wat anderen ervaren. De lezer zal het gedicht,
dat ik alleen maar schetste, al dan niet voltooien.
We lezen niet een ander maar onszelf in de ander.
Het lijkt een wonder
hoe iemand die ik niet ken zich in mijn spiegel ontwaart.

Als hier al een verdienste in schuilt – zegt Pessoa –
komt ze de verzen toe, niet de schrijver ervan,
al laat die een handvol prachtige gedichten na
naast dozen vol mislukte probeersels.
Wat hij er zelf van vindt
is niet van belang.

We leven in een vreemde wereld
waarin dichters steeds meer van belang zijn
maar hun gedichten steeds minder.
De dichter is niet meer de stem van zijn volk
of de spreekbuis van wie het woord op de lippen bestierf.

Hij is tot goedkoop amusement verworden.
Het grote publiek dat geen poëzie meer leest
smult van zijn drankzucht, zijn ontucht, zijn kwalen,
van zijn bontgenootschappen met of processen tegen
de andere circusclowns
of de trapezewerker of te olifantentemmer.

Ik blijf erbij
dat poëzie iets heel anders is:
een wijze van liefhebben die alleen in de stilte gedijt,
in een geheime handslag tussen twee mensen,
die elkaar nog niet kennen.

Misschien heb je ooit gelezen dat Juan Ramón Jiménez
een halve eeuw geleden een tijdschrift wilde stichten
dat Anonimiteit moest heten.
Het zou teksten publiceren, geen signaturen,
gedichten brengen, en geen dichters.
Ik zou als deze Spaanse meester
dichtkunst willen die naamloos is: van iedereen
(dat probeer ik ook met mijn vertalingen en verzen).
Misschien ben je het met me eens,
jij die me hebt gelezen en me niet kent.
We zullen elkaar nooit zien maar we zijn vrienden.
Als mijn gedichten je aanstaan
wat geeft het dan of ze van mij / van anderen / van niemand zijn.
In feite zijn de gedichten die je las van jou:
jij, hun auteur, die ze doet leven door ze te lezen.

woensdag 2 februari 2011

() De verhalen

.
Tegen wie kan ik nog vertellen over
mijn verloren gewaande geliefde?
Tegen niemand, ook tegen mijn
verloren gewaande geliefde niet meer.

Niets telt nog dan, niet af en ook
niet op, nu ik eenmaal andermaal met

al mijn verhalen rond bent geweest,
als een wijzer rond de zon.

En nu mijn schaduw naar het noorden
wijst, ga jij onder in het zuiden van de
zonnetijd, tel ik enkel nog in Italiaanse
uren, de tijd laat geen terugkeer toe.

Henri A.

() De gevolgen

.
Niet meer weten wat gij doet
om door de dag te komen
legt mijn nachten lam.

Ik zal tegen je sterren blijven
praten en wachten
op wat er op me af komt,

want we zijn nog zo jong
in onze slapeloosheid
om mekaar te verlaten.

En elke ochtend nadien,
sindsdien, gaat alles veel
trager, zo ook het vergeten,

pas als gij dood zult zijn,
of ik,
zullen we niet meer
missen voor het leven.

Henri A.